Boekpraat.nl
Henk Hagenberg - mijn beste boeken, samengevat
 

 

 

NRC Handelsblad, Derk Stokmans,  Den Haag, 1 april 2011

Donner: het populisme bedreigt de rechtsstaat.

De democratische rechtsstaat dreigt te worden uitgehold door het opkomend populisme. Dat schrijft minister Piet Hein Donner (Binnenlandse Zaken, CDA) in de publicatie Christen Democratische Verkenningen van het wetenschappelijk instituut van het CDA, die volgende week uitkomt.

Donner schrijft dat het opkomend populisme bijdraagt aan de voortdurende erosie van instituten als de rechterlijke macht en de Eerste Kamer. Hij noemt gedoogpartner PVV niet bij naam, maar het is duidelijk dat hij daar ook op doelt. „Populisten zullen kiezers vooral willen aanspreken als ‘slachtoffer’ van overheidsmachten, politieke krachten en economische ontwikkelingen die buiten hen omgaan.” De gevaren van een democratie die alleen uitgaat van de „volkswil” zonder de inperkende rol van instituties worden „niet meer gezien of als reëel ervaren”. Bijvoorbeeld dat een meerderheid zijn wil oplegt „ten koste van een welbepaalde minderheid”.Populisten spreken kiezers aan op „onmacht en onvrede” in plaats van ze aan te sporen hun verantwoordelijkheid als burger te nemen, aldus Donner. En wakkeren zo tegenstellingen aan.

Binnen het CDA was veel kritiek op de keuze van de fractie om samen te werken met de PVV. Donner steunde die keus. De manier om populisten te bestrijden, schrijft hij nu, is niet door ze uit te sluiten, maar door met ze samen te werken. Kiezers van populisten moeten worden overtuigd dat aan hun zorgen recht kan worden gedaan zonder de waardigheid van anderen aan te tasten.

 

 

NRC 2 juni 2009

PVV en SP geven stem aan afkeer van globalisering

Door onze redacteur MARC LEIJENDEKKER

De Partij voor de Vrijheid biedt een gezonde cor­rectie op ons politieke systeem, want de afgelopen decennia is een belangrijk deel van het electoraat, vooral het lager opgeleide deel, zijn politieke vertegenwoordiging kwijtgeraakt. Mark Bovens, hoogleraar be­stuurskunde in Utrecht, is stellig. Partijen als de PVV, Trots op Nederland of de LPF worden, net als de SP, vaak weggezet als 'populis­tisch'. Dat is negatief bedoeld: ze zijn manipulatief, simplificerend, spelen op effectbejag. Maar, zegt Bovens: "Als je ze neerzet als ver­werpelijk hoef je niet meer na te denken over wat erachter zit."

In de campagne voor de Europe­se verkiezingen wordt volgens hem opnieuw duidelijk dat er nieuwe politieke scheidslijnen zijn ontstaan - en niet alleen in Nederland. Traditioneel is het on­derscheid tussen confessioneel en niet-confessioneel en tussen links en rechts. Daar is een culturele scheiding bijgekomen, tussen 'kosmopolieten' en 'nationalis­ten'. In een recent onderzoek heeft Bovens vastgesteld dat die tegen­stelling vrijwel parallel loopt met het opleidingsniveau.

"Aan de ene kant staan de kos­mopolitisch ingestelde burgers en partijen. Zij zijn voorstander van globalisering en europeanisering en accepteren of ondersteunen het multiculturalisme. Aan de andere kant heb je de meer nationalisti­sche partijen en burgers. Die vin­den dat de europeanisering en globalisering te ver en te hard zijn ge­gaan, dat nationale waarden en de nationale identiteit moeten wor­den benadrukt."

Die nieuwe scheidslijn verdeelt het politieke landschap anders dan voorheen. , Je ziet nu in de dis­cussie over Europa dat partijen als de PVV en de SP veel gemeen heb­ben. Ze hebben allebei een meer nationalistische oriëntatie.

"De suggestie dat de aanhangers 'van de PVV en SP niet goed begre­pen hebben wat Europa voor voor­delen biedt, vindt hij te makkelijk. "Na het Europese referendum is wel gezegd: we hadden het beter moeten uitleggen. Dat miskent de verschillende belangen die op het spel staan. Voor hoogopgeleiden is europeanisering een zegen. Ze kennen hun talen en hun arbeids­markt strekt zich over heel Europa uit. Hun kinderen gaan in heel Eu­ropa studeren met behoud van hun studiebeurs. Voor laagopgeleiden die werken in de dienstverlening of met hun han­den, biedt europeanisering helemaal geen voordelen. Ze krijgen meer concurrentie op de arbeids­markt. Hoogopgeleiden kunnen een Poolse schilder huren om hun huis op te laten knappen. Laagop­geleiden krijgen een pension met Polen naast zich of krijgen, als ze schilder zijn, concurrentie uit Po­len. Grote delen van hun werkge­legenheid verplaatst zich naar la­gelonenlanden. Geen wonder dat ze bezwaar maken. Dat is demo­cratie, belangenstrijd."

In de ogen van Bovens zijn de PVV en de SP nieuwe volkspartij­en. "Ze zijn populistisch in de be­schrijvende zin van het woord: er is sprake van charismatisch leider­schap en er wordt een tegenstel­ling gecreëerd tussen de elite en het volk. Bovendien wordt gesug­gereerd dat er een directe telefoon­lijn is tussen de politieke leiding en de mensen in het land, zodat het geen zin heeft daartussen par­tijorganen te zetten, omdat die de communicatie kunnen verstoren. Het zijn technieken die ook ooit werden gebruikt door de traditionele volkspartijen CDA, PvdA en VVD.

"Maar die zijn steeds meer de partijen geworden voor hoogop­geleiden. Zorgen van laagopgelei­den over europeanisering, immi­gratie, globalisering  werden weg­gezet als xenofoob, racistisch, ach­terhaald". Die drie partijen kon­den hun traditionele achterban ja­renlang verwaarlozen, omdat er geen concurrentie was. "Zo zijn de noden en wensen van 30 a 40 pro­cent van het electoraat als niet-le­gitiem opzijgezet."

Is het niet prettig als hoogopge­leide mensen aan het roer staan? "Het is handig om een goede kapi­tein te hebben. Maar over de be­stemming van het schip moet ie­dereen kunnen meepraten. Kijk naar het Europa van de afgelopen veertig jaar. Dat is bepaald door academici: juristen, professoren en specialisten in Brussel, Straats­burg en Luxemburg. Daardoor is Europa een richting opgegaan die gunstig is voor hoogopgeleiden.

"In dat opzicht was het referen­dum over de Europese Grondwet volgens Bovens, een mijlpaal. "Voor het eerst is Europa gepoliti­seerd, uit de technocratische hoek gehaald van juristen en economen. Daarom vind ik de opkomst van de PVV niet per se negatief, ook al om­dat die partij, net als de andere ge­noemde partijen, opereert binnen het parlementaire stelsel - in an­dere landen zie je populistische partijen en politici die zich juist uitdrukkelijk tegen het parlement keren."

 

Dezer dagen J. L. Heldring

NRC 4 juni 2009

Ook Europese politiek is strijd

Luuk van Middelaar is de vedet­te van dit ogenblik. Je kunt geen krant of tijdschrift openslaan of er staat een interview met hem in of een bespreking van zijn zo­juist verschenen boek, De passage naar Europa: geschiedenis van een be­gin. Ook op de televisie is hij al meermalen te zien geweest.

Die belangstelling heeft iets merkwaardigs. Immers, Europa zelf is op dit ogenblik helemaal niet de vedette. Het wekt bij de mens en eerder een oorverdovend gegeeuw op, als het geen weerzin is.

Weer een boek over Europa? Au­teur en uitgever moeten moed hebben ermee voor den dag te ko­men. Vanwaar dus die belangstel­ling voor zijn boek, dat bovendien helemaal niet zo gemakkelijk is?

Waarschijnlijk komt dat door­dat Van Middelaar met een vol­strekt nieuwe kijk op het Europe­se proces komt. Ook behandelt hij dit onderwerp niet vanuit een ­hetzij positief hetzij negatief­parti-pris. Dat laatste is uitzon­derlijk, vooral in ons land, waar toetsing van hart en nieren vaak de plaats inneemt van serieuze discussie.

Eén rode draad mogen wij niet uit het oog verliezen: het zijn in laatste aanleg de nationale staten die, ook in het Europa van van­daag, de dienst uitmaken. Wat dat betreft, geeft Van Middelaar De Gaulle postuum gelijk, die in 1962, zo niet al eerder, zei dat er "geen ander Europa kon zijn dan dat der staten". Dat is een waar­heid die onze politici nog moeilijk over de lippen komt, maar waar­naar zij wel handelen. Maar de staten waaruit het Eu­ropa van vandaag is opgebouwd, zijn wel staten die voortdurend met elkaar bezig zijn aan een pro­ject: de eenheid van dit continent. Dat is het verschil met vroeger, maar het betekent tevens dat die staten voortdurend met elkaar in discussie zijn over de bestemming van dit project, dat volgens Van Middelaar ‘nooit af’ is.

Discussie is dus de ziel van Eu­ropa. Of zoals hij zegt: ‘Wezenlijk is de aanwezigheid van politieke strijd. Strijd tussen lidstaten, tus­sen nationale leiders, tussen Raad, Commissie en Parlement, tussen belangen, plannen en ideeën.’ Dit heeft dit bijkomend voordeel: ‘Alleen als er wordt gestreden om winst of verlies, wordt het publiek als meelevend koor het spel ingezogen.’

Daarom verwelkomt Van Mid­delaar de oppositie die de SP en Wilders tegen 'Europa' voeren ­niet om hun ideeën zelf, maar om­dat die oppositie leven in de brou­werij brengt. Daarom ook veroor­deelt hij die Europarlementariërs die wegliepen toen president Klaus van Tsjechië een paar hun onwelgevallige dingen zei. Tja, op die manier gaan de mensen Euro­pa natuurlijk als een bron van ver­veling, zo niet ergernis, zien.

Wezenlijk is dus de aanwezig­heid van politieke strijd. Hiermee verkondigt Van Middelaar een waarheid die al door de voorsocra­tische filosoof Heraclitus verkon­digd werd: "polemos pater pant­hoon", wat meestal vertaald wordt met: de oorlog is de vader aller dingen, maar polemos bete­kent volgens het Griekse woor­denboek in de eerste plaats: strijd. En strijd kan ook zonder dodelij­ke wapens gevoerd worden.

Hoe riskant het ook is, het is verleidelijk er ook een filosoof bij te halen die bij Hitler in het gevlij probeerde te komen: Carl Schmitt. Van zijn boekje Der Begriff des politi­schen, dat overigens zes jaar voor Hitlers machtsovername ver­scheen, luidt de eerste zin: ‘De wezenlijk politieke onderschei­ding is de onderscheiding van vriend en vijand.’

Ook hier moeten wij de klassie­ken te hulp roepen. Zowel het Grieks als Latijn maakt een onder­scheid tussen politieke en per­ soonlijke vijand (resp. polemios vs. echthros en hostis vs. inimicus. De politieke tegenstander hoeven we niet te haten, de persoonlijke weI. De eerste willen wij niet vernieti­gen, alleen maar verslaan. Dat is het wezen van de politie­ke strijd en zou dat ook in Europa moeten zijn, want zoals Van Mid­delaar zegt: 'Zoals men niet door voetbal wordt gegrepen door de spelregels te bestuderen, zo inte­resseren ook wetboeken, procedu­res en regels niet om zichzelf. Wat boeit is het spel'. Hoe bleek steekt minister Ver­hagen daarbij af! In een interview met de Volkskrant (30 mei) zegt hij weliswaar: ‘We hollen niet meer blind achter het Europese idee aan', maar twee dagen eerder wist hij Utrechtse studenten niets an­ders aan te raden dan: 'Breng een beetje bevlogenheid terug in het Europese project. Deze tijd vraagt om mannen en vrouwen met vi­sie.

’Bevlogenheid, visie - zinledige begrippen, want ook Hitler was bevlogen en had een visie. Als daarop een beroep gedaan moet worden, lijkt de radeloosheid na­bij. Verhagen staat met lege han­den. En kennis van de geschiede­nis is blijkbaar ook niet zijn sterk­ste punt. Anders zou hij niet heb­ben toegelaten dat de naam van Robert Schuman, die de Europese trein 1950 op de rails zette, ver­keerd gespeld werd (Schumann).

Kennelijk heeft hij Van Midde­laars 'geschiedenis van een begin', zoals de ondertitel van zijn boek luidt, nog niet gelezen. Hij zou dit met vrucht kunnen doen.

  

De nieuwe apartheid

Dirk Vlasblom

artikel | Zaterdag 10-12-2011 | Sectie: Wetenschap | Pagina: W04 | Dirk Vlasblom

Sociologie Hoogopgeleiden en laagopgeleiden leven in afzonderlijke werelden, zegt de Belgische socioloog Mark Elchardus. De verschillen zijn hemeltergend groot.

'Na de basisschool scheiden hun wegen. In hun latere leven zitten ze misschien nog samen in de trein, maar de trams in Brussel worden vooral bevolkt door laaggeschoolden en leden van minderheden. De Belgische socioloog Mark Elchardus heeft het hier over de groeiende afstand - materieel, sociaal en cultureel - tussen West-Europeanen met een lage en een hoge opleiding. Hij buigt zich al jaren over deze 'nieuwe breuklijn'.

Die breuklijn is ook de rode draad in het vorige maand verschenen rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). In De sociale staat van Nederland - 2011 constateert het SCP 'hardnekkige ongelijkheden' op allerlei terreinen, zowel materieel (werk, huisvesting, gezondheid) als immaterieel (welbevinden, houdingen en opvattingen). Het planbureau rept van een 'kloof' en die gaapt vooral tussen laag- en hoogopgeleiden.

De rapporteurs schrijven: Opleidingsniveau blijkt een sterke voorspeller te zijn van de leefsituatie van mensen. [...] Of het nu gaat om gezondheid en levensverwachting, om onderwijsachterstanden, om politieke invloed, om de kwaliteit van de woning en de woonomgeving, of om de kans om werkloos te raken, de verschillen zijn soms groot en lopen grotendeels langs de lijnen van het opleidingsniveau. [...] Dat geldt voor zowel de hardere kant in de maatschappij (werk, school, wonen) als voor de belevings- en opiniekant (geluk, vertrouwen).

Voilà, reageert professor Mark Elchardus als ik hem deze passages voorleg. Het is verbazingwekkend met hoeveel ongelijkheden onderwijs verband houdt: de verdeling van materiële middelen, kansen op werk, gezondheid, levensverwachting, maar ook opvattingen, levenswijze, levensstijl, politieke voorkeur, participatie in het verenigingsleven, noem maar op. Die verschillen zijn dikwijls groot, soms hemeltergend groot. Het SCP noemt een verschil van 14 procent in levenstevredenheid en een verschil in levensverwachting van 7 jaar. In België zien we een verschil van 5 à 6 jaar in totale levensverwachting en van 10 à 11 jaar voor de levensverwachting in goede gezondheid, dus zonder ernstige chronische aandoeningen of fysieke beperkingen. Dat zijn enorme ongelijkheden.

Elchardus is hoogleraar cultuursociologie aan de Vrije Universiteit Brussel en doet al twintig jaar onderzoek naar de 'nieuwe breuklijn'. Is dit nu een nieuw inzicht of is het een nieuw verschijnsel?

Elchardus: Dat is de one million dollar question. Het probleem is dat we niet zo heel veel gegevens hebben die ver teruggaan in de tijd. Data die je nodig hebt voor een langetermijnperspectief van vijftig, zestig jaar ontbreken voor een brede waaier van variabelen. In de tweede plaats is er die enorme onderwijsexpansie. Elke nieuwe generatie die aantrad, werd hoger opgeleid dan de vorige; en de oudste en minst opgeleide generaties stierven uit.

Lager geschoold noemt men in België mensen met niet meer dan negen jaar formeel onderwijs; middelhoog die met een afgeronde middelbare opleiding; en hooggeschoold de mensen met een hogere beroeps- of academische opleiding. Elchardus: Vlaanderen kent op dit ogenblik een bijna gelijke verdeling: eenderde van de bevolking is laag-, eenderde middelhoog- en eenderde hoogopgeleid. [Ter vergelijking: volgens het European Social Survey was de Nederlandse verdeling in 2008: laaggeschoold 37 procent, middengeschoold 34 procent en hooggeschoold 29 procent, DV] In 1961 was 91 procent van de Vlamingen laagopgeleid en 2 procent hoogopgeleid. Een spectaculaire verschuiving.

Steeds meer sociologen hebben het, met Elchardus, over een 'nieuwe breuklijn'. Toch valt de culturele scheidslijn in veel opzichten samen met de sociaal-economische. Mensen met een lage opleiding doen in het algemeen laag betaald werk en hebben een zwakkere positie op de arbeidsmarkt.

Elchardus: Er is wel een verband tussen de twee breuklijnen, maar het is nuttig ze te onderscheiden. Het is, zoals gezegd, lastig om voor één land over een langere periode na te gaan wat er is gebeurd met die ongelijkheden naar onderwijsniveau. Maar je kunt wel landen vergelijken met verschillende ontwikkelingsniveaus. Dat hebben wij gedaan. Er zijn al zo'n twintig jaar vrij goede en onderling vergelijkbare gegevens over OESO-landen, de meest ontwikkelde landen in de wereld. Zo kunnen we Europese landen rangschikken op 'ontwikkelingsgradiënten': hoofdelijk inkomen, ontwikkeling van de verzorgingsstaat en de informatie-economie. Landen binnen Europa die economisch sterk ontwikkeld zijn, zijn ook sterke verzorgingsstaten en doorgaans ook sterke kenniseconomieën. Voorop lopen Duitsland, Nederland, Finland, Denemarken en Zweden. Achterblijvers zijn Bulgarije en Roemenië.

Geen verliezers

Elchardus' onderzoeksgroep keek steeds naar verschillen in gezondheid, werk, levenstevredenheid en opvattingen tussen de 20 procent laagst geschoolden en het gemiddelde van de bevolking. Naarmate een economie meer ontwikkeld is zijn de verschillen in gezondheid en werkomstandigheden kleiner. De relatieve arbeidsparticipatie blijft nagenoeg gelijk. Qua welbevinden is het verschil kleiner al naargelang het ontwikkelingspeil stijgt.

Elchardus: De veelgehoorde stelling dat laaggeschoolden de verliezers zijn van de kenniseconomie gaat dus niet op. Blijkbaar heeft men in die economieën ook dat soort mensen nodig. Misschien is er een verschuiving van de industrie naar dienstensectoren - schoonmaak, onderhoud - maar het blijft werk. Op het vlak van de gezondheid sluiten laaggeschoolden in de ontwikkelde economieën veel beter aan bij het gemiddelde van de bevolking. En dat is de verdienste van de verzorgingsstaat. In sociaal-economische kwesties slaagt die er beter in de laaggeschoolden mee te nemen. Niet dat de ongelijkheid verdwijnt, zeker niet, maar laaggeschoolden zitten er veel dichter bij het bevolkingsgemiddelde dan in de minder ontwikkelde landen. Blijkbaar beseffen laaggeschoolden dit, want in ontwikkelde verzorgingsstaten zijn ze ook veel meer content met hun eigen leven.

Voor houdingen en opvattingen gaat dit verhaal niet op. Kijk je naar pessimisme over de samenleving, naar de moeite die men heeft met minderheden, naar de mate waarop men zeer hard en repressief wil optreden tegen criminaliteit, naar het vertrouwen in de instellingen, dan blijkt dat naarmate het ontwikkelingspeil hoger is, de kloof tussen hoog- en laaggeschoolde breder wordt. In de minst ontwikkelde landen van Europa staan hooggeschoolden kritischer tegenover de instellingen dan laaggeschoolden. In landen als Nederland en Denemarken is het juist andersom. Laaggeschoolden hebben daar veel minder vertrouwen in de instellingen dan hooggeschoolden. Je moet de twee breuklijnen, de sociaal-economische en de culturele, dus onderscheiden.

Vanwaar die onvrede bij laaggeschoolden in de meer ontwikkelde verzorgingstaten?

De verklaring die onze onderzoeksgroep hiervoor heeft ontwikkeld, hebben we 'de symbolische samenleving' genoemd. Dat was ons antwoord op de lange tijd populaire individualiseringsthese. Individualisering zou betekenen dat wat mensen denken en voelen minder dan vroeger wordt bepaald door hun sekse, familie, leeftijd, werk. Kortom: dat collectieve identificatie minder invloed heeft op keuzen die mensen maken. We hebben dat op alle mogelijke manieren geverifieerd, maar het blijkt niet waar te zijn. Integendeel, er zijn veel aanwijzingen dat die invloed sterker is geworden.

Maar die collectieve identificatie werkt anders dan vroeger. In de naoorlogse periode zijn in het noordwesten van Europa kerken leeggelopen, zijn gezag en gehoorzaamheid getaand, net als traditionele rolopvattingen. Maar dat heeft niet geleid tot individualisering. Wel is de manier waarop de samenleving wordt gestuurd veranderd. Gezag, gehoorzaamheid, traditie, de rol van religie en ideologie zijn veel minder belangrijk geworden. In plaats daarvan zijn andere instellingen onze smaken en opvattingen gaan sturen.

Beeldbuis

In de eerste plaats is de taak van het onderwijs verbreed - niet enkel overdracht van kennis, maar ook van houdingen, opvattingen, waarden. In de tweede plaats is er de opkomst van de massamedia. Er was nagenoeg geen televisie in de jaren vijftig, nu heeft het gemiddelde gezin in West- Europa een 80 inch flatscreen. De instellingen die sturen hoe mensen de werkelijkheid interpreteren zijn nu vooral onderwijs en media.

Als mensen een oordeel moeten vellen over de samenleving als geheel, gaan ze niet af op hun persoonlijke ervaringen, maar kijken ze naar het beeld van de werkelijkheid dat wordt gepresenteerd door de media. Welke media ze selecteren, naar welke programma's ze kijken en hoe ze die signalen interpreteren, wordt sterk bepaald door hun opleiding.

Elchardus en zijn onderzoeksgroep vergeleken de opvattingen van leerlingen in het Vlaamse algemeen secundair onderwijs (aso, wij zouden zeggen: vwo), en van leeftijdgenoten in het beroepsonderwijs. Die ideeën bleken in de loop van de schoolperiode uit elkaar te groeien. Als het gaat over de bestraffing van criminaliteit tenderen vwo-leerlingen in de loop der jaren naar een libertaire, en vakschoolleerlingen naar een repressieve houding. Leerlingen van beroepsopleidingen hebben moeite met immigranten; Vlaamse 'vwo'ers' zijn een stuk verdraagzamer.

Elchardus: Het uiteengroeien van de twee wereldbeelden verklaren we volledig door allengs divergerende mediavoorkeuren. Aan het begin van hun schoolloopbaan kijken leerlingen van beide schooltypen het liefst naar populaire tv-zenders, maar gaandeweg keren vwo-leerlingen zich daarvan af.

De jongens en meisjes in het beroepsonderwijs blijven wél kijken naar commerciële zenders. Ze lezen niet veel kranten en als ze dat wel doen, is het een populaire krant. Terwijl de leerlingen van het vwo die populaire media geleidelijk de rug toekeren. Die beginnen een krant als De Standaard te lezen en kijken vaker naar de VRT dan naar commerciële zenders.

'Niet de slimsten'

Hoe versterken populaire media die repressieve en intolerante houding van vakschoolleerlingen?

Het ligt niet louter aan het media-aanbod. Het is een samenspel tussen opleidingsniveau en de interpretatie van mediaboodschappen. Er ontstaan in de samenleving 'interpretatieve gemeenschappen', groepen die dezelfde signalen en boodschappen oppikken en deze op dezelfde manier interpreteren. Veel laaggeschoolden hebben een onderwijscarrière achter de rug waarin ze voortdurend moesten horen dat zij niet de slimsten zijn - dat is de zwarte kant van onze meritocratie. Na school - en voor velen is de school verlaten een bevrijding - gaan zij die mediaboodschappen selecteren die aansluiten bij hun ervaringen en hun de sensatie geven 'zie je wel'. Het zijn dikwijls die media die nogal sensationeel, ongenuanceerd nieuws brengen, met veel aandacht voor misdaad. De Amerikaanse communicatiewetenschapper George Gerbner heeft dit het mean world syndrome genoemd. De wereld wordt er voorgesteld als hard en zeer onveilig.

Er zijn dus twee factoren in het spel. Allereerst een zwart, pessimistisch beeld van de samenleving : alles van waarde gaat naar de verdoemenis. De andere factor is ervaring: op ons is vaak neergekeken, terwijl we het eigenlijk even goed weten.

Elchardus: Reality shows zijn niet voor niets zo populair. De mensen die daar zo nadrukkelijk gewoon zitten te zijn, daar identificeren laag opgeleiden zich mee. Die twee opvattingen - wij weten het even goed als de wijsneuzen; het gaat slecht met de samenleving - zijn de basiselementen van het populisme. Dat heeft stem weten te geven aan deze mensen.

Veel sociologen schrijven dit etnocentrisme en dat negatieve maatschappijbeeld op conto van het geringe 'culturele kapitaal' dat kinderen meekrijgen van thuis en van school. Elchardus: Daarmee zeg je eigenlijk dat dit etnocentrisme een soort cognitief falen is, als gevolg van een gebrek aan bagage. Ik heb daar vragen bij, want waar klagen laaggeschoolden over? De multiculturele samenleving is mislukt, die is veel minder aangenaam dan ons is voorgespiegeld, wij zitten met veel meer spanningen en misère in onze buurten. En: de saamhorigheid van vroeger is teloorgegaan. Dat laatste is een mythe: de genoeglijke jaren vijftig, toen alles nog goed was. Ze hebben ook het gevoel dat ze harder en langer moeten werken voor minder geld - en dat is geen mythe. Het is een ongenuanceerd beeld, dat maar voor een klein stukje is ontleend aan het eigen leven en voor een groot stuk aan de media. Maar in de grond zijn dit reële problemen, die veel hooggeschoolden ten onrechte ontkennen. Vandaar dat ik liever spreek van interpretatiekaders dan van cultureel kapitaal.

Veel sociologen spreken over een 'nieuwe breuklijn', een culturele scheiding Welke media mensen selecteren, wordt sterk bepaald door hun opleidingsniveau Homogamie versterkt de ongelijkheid Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) rept in zijn jongste rapport van 'hardnekkige ongelijkheden' tussen laag- en hoogopgeleiden. Ze lijken zichzelf in stand te houden. Mark Elchardus: Een belangrijke factor in de reproductie van ongelijkheid is homogamie: de tendens van hoogopgeleiden om te trouwen met andere hoogopgeleiden en van laagopgeleiden om hetzelfde te doen met laagopgeleiden. Allerlei middelen raken geconcentreerd in bepaalde gezinnen en ontbreken in grote mate in andere gezinnen. Gezinnen met twee hooggeschoolde ouders hebben heel wat culturele, maar ook materiële middelen om van de schoolloopbaan van de kinderen een succes te maken. In een samenleving waar laaggeschoolden geen 90 maar 30 procent van de bevolking vormen is de kans dat een laaggeschoold ouderpaar die middelen ontbreken groot. We leven in verschillende werelden, die stilaan verder van elkaar zijn gaan liggen. We gaan naar andere restaurants en andere winkels. Ook binnen vriendschappen geldt: soort zoekt soort. We lezen verschillende dingen, kijken naar verschillende voorstellingen, verplaatsen ons verschillend en eten op verschillende plekken andere dingen. Veel minder vertrouwen in de overheid en de rechtspraak bij laagopgeleiden

Op dit artikel rust auteursrecht van NRC Handelsblad BV, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.